Verdelen en verrekenen: het kan beter! FJR 2017/11

Geschillen en procedures over het verdelen van de huwelijksgemeenschap na een echtscheiding leveren partijen, hun advocaten en de rechter veel hoofdbrekens op en zijn zelden voortvarend en effectief. Dat geldt ook voor het afwikkelen van verrekenbedingen. Vaak ontbreekt over en weer de informatie die nodig is voor een soepele afwikkeling. Het is daarom lastig in deze zaken te voldoen aan de stelplicht, laat staan dat het bij betwisting tot bewijs van die stellingen komt. Veel van deze zaken kennen helaas een voor beide partijen onbevredigende afloop. En dat terwijl juist het huwelijksvermogensrecht zoveel mogelijkheden biedt om inzicht te krijgen in de samenstelling en omvang van te verdelen of te verrekenen vermogen, een inzicht dat essentieel is voor het voldoen aan stelplicht en bewijslast. Denk alleen al aan de informatieplichten van artikel 1:83 en 1:138 lid 2 BW en aan de mogelijkheden om in en buiten rechte een boedelbeschrijving van de ontbonden huwelijksgemeenschap (artikel 671-676 en 679 Rv) of het te verrekenen vermogen (artikel 1:143 BW) af te dwingen. Wie dat wil kan ook de inschakeling van een notaris uitlokken voor het maken van een boedelbeschrijving en het begeleiden van de verdeling of verrekening. De praktijk maakt van deze mogelijkheden nauwelijks gebruik. Rechters die verdelen en verrekenen hebben zelf het heft in handen genomen om de informatie boven tafel te krijgen en hebben op de voet van artikel 22 Rv getracht deze procedures te stroomlijnen. Partijen zijn verplicht een formulier verdelen en verrekenen in te vullen en dat te onderbouwen met producties. Doen zij dat niet dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. Dat is een loffelijk streven, maar biedt geen soelaas voor de gesignaleerde problemen. Ieder van partijen vult naar eigen inzicht een eigen formulier in dat onvolledig is en niet congrueert met dat van de ander. Vaak blijft de status van de gegevens en ‘mededelingen’ in het formulier onduidelijk en zijn de stellingen in het verzoek- en verweerschrift daarop niet afgestemd. De p.m. viert hoogtij. Het is dan lastig een beslissing te geven of een schikking te treffen. Benoeming van een notaris als deskundige die met partijen de nodige informatie verzamelt en een vergelijk beproeft kan een efficiëntere rechtsbedeling in deze zaken bevorderen. In de praktijk kiest de rechter zelden voor deze weg.

Wat te doen? Ten eerste valt te denken aan het verplicht stellen van een boedelbeschrijving van partijen samen of van een notaris. Zonder deze beschrijving geen procedure, zoals bij het ouderschapsplan van artikel 815 Rv. Ontbreekt de boedelbeschrijving dan kan de rechter alsnog een notaris aanwijzen deze te maken. Ten tweede valt inspiratie te putten uit het rapport ‘Modernisering burgerlijk bewijsrecht’ dat de gelijknamige expertgroep op 10 april 2017 aan de Minister van V en J heeft aangeboden. Daarin staat dat onze procespraktijk zich ondanks alle wettelijke plichten en bevoegdheden tot het geven en verkrijgen van informatie nog steeds kenmerkt door een afwachtende en lijdelijke opstelling van zowel partijen als de rechter. Dat is precies wat ik hiervoor constateerde voor de procedures van verdelen en verrekenen. De expertgroep benadrukt dat het essentieel is dat direct bij aanvang van de procedure alle relevante informatie beschikbaar is. Zij doet aanbevelingen voor verbeteringen van het bewijsrecht om dat mogelijk te maken, waar nodig onder regie van de rechter. De nadruk ligt daarbij op de informatievergaring in de preprocessuele fase.

Ik vind de eerste oplossing een prima instrument om te bereiken wat de expertgroep beoogt en beveel graag aan partijen in deze procedures wettelijk te verplichten zo nodig onder regie van de rechter eerst een boedelbeschrijving te (doen) maken, opdat er voortvarend verdeeld en verrekend kan worden.

J.H. Lieber

Auteur